benedictusBenedictus Jozef Labre, patroonheilige van de Brancardiers

 

Wanneer wij de toewijding bidden dan bidden wij aan het einde 3 x Heilige Benedictus Labre bidt voor ons. We kennen allemaal Bernadette, Don Bosco, Moeder Teresa, Franciscus van Assisi. Allemaal blije heiligen, maar Benedictus Josef Labre. Wie is deze sombere zwaarmoedige heilige? Blijkbaar een belangrijk persoon want hij is de patroonheilige van:

Armen, bedelaars, daklozen, landlopers, vagebonden, ontheemden en zwervers, en Brancardiers van de Limburgse bedevaart. Wij verkeren dus in goed gezelschap.

 

Toen Lodewijk XV aan de macht was in de 18de eeuw werden door toedoen van zijn maîtresse Madame Pompadour de Jezuïeten uit Frankrijk verdreven. De belastingen waren hoog en de adel leefde in weelde en hield er een losbandig bestaan op na. De strijd tegen gezag en godsdienst woedde hevig mede door geschriften van Diderot en Voltaire. Het was in die tijd dat Benedictus Josef Labre op 26 maart 1748 in de plaats Amettes van het bisdom Boulogne-sur-Mer werd geboren. Hij werd de oudste zoon uit een boerengezin van 15 kinderen.

 

Op 5-jarige leeftijd zien we al dat Benedictus gevoelig is voor een vroom leven. Hij bidt het Onze Vader en Weesgegroet. Hij heeft een afkeer van ruwe taal en kwaad. Anekdote: Benedictus vindt een goudgroene glinsterende tor die hij bestudeert. Op dat moment komt er een kapelaan langs die gekscherend tegen hem zegt: “Jij kleine dief.” Het kost de kapelaan veel moeite om Benedictus tot bedaren brengen.

 

Op 7-jarige leeftijd neemt (Jac Vincent een broer van de moeder van Benedictus) toen subdiaken de opvoeding van Benedictus op zich. Bij deze oom leert Benedictus wat versterving is. Wanneer hij een kleine fout maakt in zijn schoolwerk moet hij voor straf de hele rozenkrans bidden. Voor de minste onachtzaamheid moet hij lange tijd knielen op takkenbossen of met een roede in zijn hand om vergiffenis vragen. Ondanks deze straffen kwam er nooit een wanklank over zijn lippen. Toen Jac Vincent vertrok om zijn studies af te ronden keerde Benedictus bij zijn ouders terug.

 

Wanneer de vader van Benedictus ziek wordt, komt zijn broer Frans Josef Labre op bezoek. Frans Josef is priester in een dorp op 40 km van Amettes. Omdat deze een geestelijke roeping voorziet voor Benedictus vraagt hij de ouders of hij Benedictus mag meenemen om hem de beginselen van de Latijnse taal bij te brengen. Na enig aandringen, stemmen de ouders hiermee in. Bij zijn oom doet hij allerlei werkzaamheden. Gasten bedienen op de pastorie, de tuin bijhouden, kerk poetsen en de mis dienen. Vaak is hij te vinden voor het heilig Sacrament waarvoor hij uren geknield kan doorbrengen. Uit versterving ontzegt hij zichzelf alles. Het beste eten wordt in het geheim naar de armen van het dorp gebracht. Het lijden wordt een behoefte. Wanneer hij 12 jaar is legt hij uit versterving een plankje onder zijn hoofdkussen in bed. Op 16-jarige leeftijd slaapt hij niet meer in bed maar in zittende houding vóór zijn bed. De winter brengt hij door zonder zich te warmen aan een kachel of vuur.

 

Benedictus was zo ver gevorderd in de klassieke letterkunde dat hij zonder moeite de heilige Schrift kon lezen. Voor hem betekende dit dat hij zich niet langer kon bezig houden andere profane studies. Hoe zijn oom hem ook probeerde te overtuigen dat hij klassiek Latijn en oude letterkunde nodig had om priester te worden het lukte Benedictus gewoon niet. Zijn oom gaf hem een pak ransel met een stok en verbood hem om nog een boek te nemen uit de boekenkast. Alleen de werken van de oratioriaan Lejeune mocht hij behouden en het traktaat over de mystiek van Lodewijk van Granada. Frans Benedictus riep de hulp in van een andere geestelijke. Aan deze deelde Benedictus mee dat hij zich niet geroepen voelde om priester te worden. Hij wilde zich terugtrekken in het klooster van Notre Dame de la Trappe waar geleefd wordt volgens de regel van de abt Rancé. Zijn oom gaf er niet aan toe omdat de arbeid zeer zwaar en de versterving die van de monniken gevraagd wordt zeer groot. Uiteindelijk mag Benedictus zijn ouders vragen om toestemming maar zij weigeren. Teleurgesteld keert hij terug bij zijn oom Frans Josef Labre waar hij zich nog meer toelegt op versterving en vasten. Soms eet hij 2 dagen nauwelijks iets. ’s Nachts slaapt hij in een paardendeken op de koude vloer. Urenlang knielt hij voor het altaar en wanneer hij eens te communie gaat biecht hij tweemaal.

 

Dan komt er onverwacht een wending in zijn leven. Er breekt een ernstige ziekte uit in Erin in 1766. Benedictus helpt zijn oom met het begraven van jonge en oude mensen. Hij verzorgt het vee van de boeren en werkt op het land. Uiteindelijk krijgt de ziekte ook zijn oom te pakken en Benedictus staat zijn oom bij op het sterfbed. Dan keert hij terug naar zijn ouders.

 

Hij slaapt op de koude vloer en geselt zijn lijf ’s nachts. Wanneer zijn moeder bloedvlekken in zijn ondergoed vindt zegt Benedictus dat hij zich moet oefenen in het leven van La Trappe. Benedictus wordt naar Jac Vincent gestuurd die hem al de onder zijn hoede had op jonge leeftijd. In 1767 komen er paters missie preken in de parochie van Jac Vincent. Tijdens een biechtgesprek met één van deze paters vraagt Benedictus om raad over zijn roeping om Trappist te worden. Deze vertellen hem in te treden bij de Trappisten wanneer zijn ouders hem hiervoor toestemming geven. Zijn ouders weigeren en zijn oom adviseert hem om naar de Kartuizers te gaan. Bij de Kartuizers aan gekomen in Val-Sainte Alegonde in het diocees St. Omer wordt hij geweigerd. Door een brand is een gedeelte van het klooster onbruikbaar geworden. Daarbij krijgt hij te horen dat hij de gezangen onvoldoende beheerst en daar eerst aan moet werken. Benedictus keert echter niet terug naar huis maar gaat naar de Kartuizers in Neuville. Ook hier wordt hij geweigerd, hij heeft nog niet de vereiste leeftijd van twintig jaar en ook hier krijgt hij te horen dat hij de kloosterzang onvoldoende beheerst. Na vier maanden op 6 oktober 1767 keert hij terug in Neuville en dit keer wordt hij aangenomen als novice.

 

Benedictus is nu ver weg van de onrust van de wereld en leeft in de zalige stilte maar vindt niet wat hij zoekt. Hij beleeft “de donkere nacht van de ziel” zoals Johannes van het kruis dat beschrijft. (spirituele ervaring van iemand die een fase in zijn leven doormaakt waarin hij zich door iedereen verlaten voelt, zonder hoop op een betere toekomst. Jezus had ook deze ervaring toen hij aan het kruis hing en riep: “Mijn God, mijn God waarom hebt Ge Mij verlaten?”). Zes weken nadat hij is aangekomen, is zijn geestelijke en lichamelijke toestand zo slecht dat de prior hem zegt: “Uw roeping is niet hier, ga in vrede.”

 

Benedictus keert niet naar huis maar onderneemt een 600 km lange voettocht naar La Trappe, het klooster waar hij al jaren van droomt. Hij komt op 25 november 1767 aan gehuld in lompen en enkele dagen later begint hij aan de terugreis naar zijn ouders in Amettes, hij had de vereiste leeftijd van 24 jaar nog niet bereikt. De ouders hoopten dat Benedictus na de teleurstelling bij de Kartuizers en de afwijzing bij de Trappisten klaar was met het kloosterleven. Een misrekening. In augustus 1769 keert Benedictus terug bij de Kartuizers in Neuville maar ook de 2de proef mislukt. De prior vertelt Benedictus dat zijn roeping niet in Neuville ligt. Benedictus keert echter niet meer naar huis maar schrijft een afscheidsbrief waarin hij zijn ouders dankt voor de goede zorgen en ontslaat hen van alle verantwoording jegens hem. Hij gaat nogmaals naar LaTrappe maar ook dit keer tevergeefs.

 

Na deze teleurstelling wil hij zijn geluk beproeven bij de Cisterciënzers Notre Dame Sept-Fonts. Hier werd hij opgenomen bij de novicen. De ascetische strengheid overtrof zelfs die van de Trappisten. Onafgebroken zwijgen, middernachtelijk gebed, koorgebed en meditatie, handarbeid op het land, eenzaamheid, slapen op harde brits. Maar dit alles was nog onvoldoende voor Benedictus. Ook bij de Cisterciënzers kreeg hij te maken met de donkere nacht van de ziel. Twee maanden verbleef hij in het hospitaal en toen kreeg hij ook hier te horen van de prior: “Mijn zoon, uw plaats is niet in ons convent.”

 

Benoit Josef LabreBenedictus vertrekt vanuit Sept-Fonts met als reisdoel Rome. Zijn hele bezit bestaat uit: de kleren die hij aanheeft, een zwart novicen-scapulier, een rozenkrans, een verweerde tas met hierin het boek “In navolging van Thomas à Kempis, een Nieuw Testament, en vier deeltjes van het brevier dat hij dagelijks bidt. Hij verwaarloost zijn lichaam uit versterving. Al gauw ziet hij eruit als een zwerver, hij draagt vodden en vuile lompen waarin het wemelt van ongedierte. Opmerkelijk is het dat nooit een huis waarin hij kwam of een stoel waarop hij gezeten had, besmet werd door ongedierte. Aan zijn koord draagt hij een houten bakje voor het voedsel dat hij krijgt van goede mensen of bij kloosters. Een keer per dag eet hij een karig maal. Iets bewaren voor de volgende dag doet hij niet.

 

Op weg naar Rome verblijft hij enkele dagen in Paray-le-Monial. Uren brengt hij door op de knieën in de kapel en ’s avonds wanneer de kapel gesloten is vindt men hem geknield bij de buitenmuren van de kapel. Tijdens zijn verblijf wordt hij ziek en wordt 3 weken lang verzorgd door de zusters van het klooster. Wanneer Benedictus zijn maaltijden beëindigd heeft, verzamelen de zusters de broodkruimels die zijn achtergebleven. Ze doen deze in de soep in de hoop op geestelijk voedsel voor de ziel. Loreto waar Maria bijzonder vereerd wordt is de volgende plaats waar hij enkele dagen verblijft. Deze plek zal de rest van zijn leven een grote aantrekkingskracht op hem blijven uitoefenen. Van Loreto trekt Benedictus verder naar Assisi. In de plaats van Franciscus ontwijkt men met afschuw deze landloper.

 

Na een voettocht van 5 maanden en ten minste 1200 km komt Benedictus in Rome aan. Hij vindt voor 3 dagen een onderkomen in het Franse hospice St. Louis. 5 maanden verblijft hij in Rome en trekt van de ene kapel naar de andere kerk waar hij uren in gebed doorbrengt. Het Colosseum trekt hem in het bijzonder, waar dagelijks een priester met armen en bedelaars de kruisweg bidt. Na de kruisweg ontvangen zij een aalmoes maar Benedictus weigert dit altijd. Hij wil niet beloond worden voor het bijwonen van een godsdienstoefening. ’s Nachts slaapt hij in een holte onder een trap.

 

In mei 1771 gaat hij voor 2de keer op bedevaart naar Loreto (nu een afstand van 300 km). In Bari komt Benedictus langs de gevangenis waar de gevangenen jammeren en de voorbijgangers om een aalmoes vragen. Benedictus knielt neer op de grond en zet zijn oude hoed voor zich en begint te zingen. Vele voorbijgangers gooien geld in de hoed van Benedictus en deze deelt het uit aan de gevangenen. De dagen die erop volgen doet hij hetzelfde en deelt het geld uit aan de armen

 

Hij is op doortocht naar Santiago de Compostella terwijl hij vertoefd in Moulins bij François Moret. Deze verhaalt het volgende over Benedictus:

“Dikwijls hoorden wij hem ’s nachts bidden in het Latijn en zijn lichaam geselen met wrede slagen. In het stro vonden we zijn geselkoord met scherpe ijzeren punten. Hij at slechts eens per dag en wel ’s avonds na zonsondergang. Wat hij dan nog gebruikte was bitter weinig en bestond uit voedsel dat hij overdag had gekregen. Uit de hoofdkerk van Moulins werd hij weggejaagd als een verdacht persoon. Hij stoorde de kerkgangers in hun devotie door zijn walgelijke verschijning. De kapelaan stuurde hem met harde bewoordingen weg van de communiebank, waarop Benedictus zich nederig verwijdert zacht prevelend: “Heer is ben niet waardig”. Op weg naar Santiago de Compostella legt hij meer dan duizend km te voet af door woeste bergen, gevaarlijke ravijnen, alleen met God.

 

Nadat hij een maand in Santiago heeft doorgebracht keert hij terug naar Rome. Hier ontmoet hij een oude schoolkameraad Louis Delforce die op pelgrimstocht is. Hij vraagt Benedictus of hij nooit meer thuiskomt waarop Benedictus antwoord: “Wat zou ik daar doen?” Wanneer Louis Delforce weer naar huis terugkeert vraagt hij: “Denk eens aan mij in je gebed.” Benedictus belooft dit onder de voorwaarde dat hij thuis zo min mogelijk over hem vertelt, dat dient toch nergens toe.

 

In 1774 pelgrimeert Benedictus voor de 4de keer naar Loreto. In Verona heeft hij een gesprek met zuster Maria Electa uit het Clarissenklooster. Hij noemt zichzelf een vagebond uit Frankrijk die niets anders wenst dan de wil van God te doen. Ook voorspelt hij dat hij vroeg zal sterven en dat er vreselijke rampspoeden over de kerk gaan komen. In Soloturn (Zwitserland) wordt hij gearresteerd voor landloperij. De straf die hier op stond was 5 x 5 stokslagen, vervolgens werd hij 24 uur in een donker hok opgesloten waar hij in een gekromde houding moest blijven zitten omdat het zo klein was. Toen hij eruit werd gehaald, kon hij nog nauwelijks lopen. De politiecommissaris kreeg medelijden en bood hem een aanzienlijke som geld aan en vroeg hem om vergiffenis. Benedictus nam niets aan en zei: “De straf die ik kreeg is rechtvaardig, ik ben een landloper, de commissaris heeft zijn plicht gedaan en ik heb de wil van God volbracht.”

 

In 1775 gaat een zoon van slager Zaccarelli (een goede vriend van Benedictus) naar de Madonnakerk in Rome waar hij Benedictus op zijn gebruikelijke plaats ziet zitten. Na een tijdje gaat de zoon naar de Nicolaaskerk waar het veertigurengebed aan de gang is. Tot zijn verbazing ziet hij dat Benedictus daar geknield voor het Allerheiligste. Hij had de kortste weg genomen en daarbij beweegt Benedictus zich voort steunend op een stok. Wanneer hij Benedictus hier naar vraagt, krijgt hij geen antwoord.

 

In 1782 gaat Benedictus voor de laatste keer op bedevaart naar Loreto. Hij biecht bij de Franciscaan P. Almerici. Aan het einde van de biecht vraagt zijn biechtvader: “Hoe vaak ben je al in Loreto geweest?” Antwoord: ”Elf maal vader.” “Kom je volgend jaar weer?” “Neen vader.” “En waarom niet?” “Ik moet naar mijn vaderland gaan.” “Dan moet je toch hier langs.” “Ik moet naar mijn vaderland.” Daar bleef het bij.

 

De laatste jaren dat Benedictus in Loreto kwam vond hij bij de familie Sorie gastvrijheid. Eenvoudige mensen met 2 opgroeiende kinderen. Een jongen en meisje. Het dienstmeisje weigerde het bed op te maken waar die man met al dat ongedierte geslapen had. Moeder Sorie deed het daarom zelf maar merkte dat het bed onbeslapen bleef en dat er nergens ook maar een diertje te zien was. In 1783 voor Pasen verwachtte de familie Sorie Benedictus terwijl hun zoontje tijdens zijn spel opmerkte: “Benedictus komt niet, hij gaat sterven.” Toen moeder hem vroeg wie hem dat gezegd had antwoordde hij: “Niemand, ik weet het gewoon.” Een week na Pasen ontvangt moeder Sorie een brief uit Rome waarin melding wordt gemaakt van het overlijden van Benedictus. Zij wil haar zoon op de proef stellen en zegt wanneer hij thuiskomt: “Peppo, Benedictus is gekomen.” De jongen reageert geïrriteerd: “Ik heb u toch al gezegd dat hij dood is, hij is allang in de hemel.”

 

Op palmzondag 13 april ging Benedictus biechten bij een van vroegere biechtvaders, pater Gabrini. Benedictus vraagt toestemming om te communie te gaan. Gabrini ziet de toestand waarin Benedictus verkeerd en draagt hem op ook de volgende dag te communie te gaan. De volgende dag gaat Benedictus op weg naar de kerk van de heilige Proxedis eerst naar een drogist en koopt er een maatje azijn. Wanneer hij hier van wil drinken zegt de drogist verschrikt: “Wat doet ge? Hou op het zal u kwaad doen.” Benedictus antwoord daarop: “De Heer Jezus dronk ook azijn alvorens te sterven.” En meteen dronk het maatje azijn leeg.

 

De woensdag daarop komt Benedictus uit de Madonnakerk en zakt in elkaar. Slager Zaccarelli laat Pater Piccili komen die hem het heilig oliesel toedient. Zonder doodstrijd later die avond overlijdt Benedictus. In korte tijd verzamelen zich zoveel mensen voor het huis van slager Zaccarelli die Benedictus de laatste eer willen bewijzen dat ze onmogelijk allen binnen kunnen. Benedictus wordt de volgende dag, Witte Donderdag overgebracht naar de Madonnakerk waar kardinalen, bisschoppen, adellijke lieden, geestelijken en leken langs de baar trekken. De soldaten proberen orde te houden. Vele mensen proberen stukjes haar van hoofd en baard te knippen. In korte tijd, nog voor Benedictus is begraven vinden er al wonderen op zijn voorspraak plaats.

 

20 mei 1860 wordt Benedictus door paus Pius IX zalig verklaard en op 8 december 1881 volgt de heiligverklaring door paus Leo XIII.

 

Benedictus Josef Labre is de patroonheilige van de Hospitalité de Notre Dame de Lourdes en omdat wij deel uit maken van de Hospitalité is Benedictus ook de patroonheilige van de Brancardiers. De toewijding die wij bidden is dezelfde als die van de Hospitalité. De Hospitaliers staan alle pelgrims bij die naar Lourdes komen in hun geestelijke en lichamelijke nood. Net als Benedictus zijn wij op pelgrimstocht naar de eeuwigheid en Lourdes is voor ons een tussenstation.